Hart- en vaataandoeningen voorkómen risicofactoren

Ook wel genoemd: 
Cardiovasculaire aandoeningen

Risicofactoren

Iedereen loopt een bepaald risico op aderverkalking. Er zijn echter factoren die het risico verhogen, bijvoorbeeld:

  • Risicofactoren die met je leefstijl (wijze van leven) te maken hebben,zoals:
    • Roken.
    • Gebrek aan lichaamsbeweging (een zittende leefstijl).
    • Zwaarlijvigheid.
    • Een ongezond dieet en een teveel aan zout.
    • Teveel alcohol.
  • (Deels) behandelbare risicofactoren:
    • Hoge bloeddruk.
    • Een hoog cholesterolgehalte in het bloed.
    • Een hoog triglyceridegehalte (vet) in je bloed.
    • Diabetes.
    • Nieraandoeningen waardoor de nieren minder goed functioneren.
  • Onveranderlijke (vastgelegde) risicofactoren:
    • Familiaire factoren. Vaataandoeningen kunnen binnen de familie voor komen. Je loopt in elk geval een hoger risico het ook te krijgen als je een vader of broer hebt die voor het 55ste levensjaar een hartaanval of beroerte heeft gehad, of een moeder of zus die er voor het 65ste levensjaar één heeft gehad.
    • Mannelijk geslacht.
    • Vroege menopauze bij vrouwen.
    • Leeftijd. Hoe ouder je wordt, des te groter de kans op de vorming van aderverkalking.
    • Etnische afkomst. Mensen afkomstig uit bv. India, Pakistan, Bangladesh, Sri Lanka, maar bv ook Hindoestaanse Surinamers of Ghanezen hebben een verhoogd risico.
      Als je een of meerdere onveranderlijke risicofactoren hebt, dan zou je beter gemotiveerd kunnen zijn om risicofactoren die met je leefstijl te maken hebben te veranderen.

NB: sommige risicofactoren spelen een belangrijkere rol dan anderen. Zo is roken waarschijnlijk zwaarder tellend dan zwaarlijvigheid. Ook is er een verband tussen de verschillende risicofactoren. Dus als je twee risicofactoren hebt, dan geeft dat een hogere kans op dit vaataandoeningen. Zo loopt een roker van middelbare leeftijd, die weinig beweegt en een beladen familiegeschiedenis heeft een vrij grote kans op een hartaanval of beroerte voor zijn 60ste levensjaar.

Onderzoek is gang naar andere factoren die risicofactor kunnen zijn. Bijvoorbeeld een hoog fibrinogeengehalte, of hoge waarden van C reactief eiwit, apolipoproteïne B en homocysteïne – allemaal stoffen die een rol spelen in de vetstofwisseling en de samenstelling van het steunweefsel in het lichaam.