HIV en AIDS

Wat zijn HIV en AIDS?

HIV staat voor human immunodeficiency virus – dus een virus dat bij de mens immuundeficiëntie geeft (daling van de weerstand). Dit is een virus dat behoort tot de groep van virussen die men retrovirussen noemt. HIV vernietigt bepaalde cellen in het lichaam, genaamd CD4 T-cellen. CD4 T-cellen zijn een soort lymfocyten (witte bloedcellen). Dit zijn belangrijke cellen die het lichaam tegen allerlei bacteriën, virussen en andere 'ziektekiemen' beschermen. HIV vermenigvuldigt zich feitelijk binnen de CD4 cellen. HIV blijkt omgekeerd niet door de witte bloedcellen vernietigd te kunnen worden, omdat het virus zijn buitenste laag steeds verandert, waardoor het beschermd is tegen de acties van je immuunsysteem.

AIDS staat voor acquired immunodeficiency syndrome – dus een verworven immuundeficiëntiesyndroom. Dit is een verzamelnaam voor de hele reeks infecties en ziekten die voortkomen uit een door HIV veroorzaakt 'verzwakt immuunsysteem’.

NB: wanneer je in eerste instantie met HIV besmet wordt, heb je geen AIDS. Er ligt meestal een periode van een aantal jaren tussen de oorspronkelijke HIV-besmetting en de daarop volgende  ontwikkeling van infecties en andere AIDS-gerelateerde problemen. Dit komt doordat het een aantal jaren duurt, voordat het aantal CD4 T-cellen dusdanig verminderd is, dat het immuunsysteem verzwakt raakt.

Mensen met HIV kunnen het virus aan anderen doorgeven, of ze nu symptomen vertonen of niet.

Hoe wordt je met HIV besmet?

  • Seksuele transmissie. Dit is de meest voorkomende manier waarop het virus doorgegeven wordt. Men kan besmet raken door seks te hebben met een besmet persoon (via vaginale, anale of orale seks). In sperma, vaginale afscheiding en bloed van een besmette persoon bevindt zich het HIV-virus. Dit kan het lichaam binnendringen door de wand van de vagina, de schaamlippen, de penis, de endeldarm of de mond tijdens de seks.
  • Naaldgebruik. HIV (en andere virussen zoals hepatitis B en C) kunnen doorgegeven worden door drugsgebruikers die met geïnfecteerd bloed besmette naalden, spuiten en ander inspuitmateriaal met elkaar delen. 
  • Geïnfecteerd bloed. In het verleden hebben zich een vrij groot aantal gevallen voorgedaan door geïnfecteerde bloedtransfusies en andere bloedproducten. In Nederland komt dit nu eigenlijk niet meer voor omdat alle bloedproducten sinds midden jaren 80 vóór gebruik op HIV gecontroleerd worden. Dit is nog steeds een aanzienlijk probleem in ontwikkelingslanden waar dergelijke testen niet of minder goed plaatsvinden. 
  • Toevallige wonden door naalden. Het risico is buitengewoon laag; gezondheidszorgwerkers die per ongeluk door besmette naalden gewond geraakt zijn, vertegenwoordigen ongeveer 3 promille van de HIV-besmettingen. 
  • Van moeder op kind. Zwangere vrouwen met HIV kunnen de infectie aan hun baby doorgeven tijdens de zwangerschap of de bevalling. Onderzoek toont aan dat ongeveer 1 op de 7 baby’s, die uit HIV-geïnfecteerde moeders geboren worden, kans heeft om besmet te worden in de Westerse wereld, in bijvoorbeeld Afrika ligt dit risico hoger. Behandeling met anti-HIV-medicijnen tijdens de zwangerschap kan het risico dat het virus doorgegeven wordt aanzienlijk verlagen. Een keizersnede in plaats van een natuurlijke bevalling kan dit risico nog verder verlagen. HIV kan soms aan een baby doorgegeven via de melk bij borstvoeding. Moeders met HIV wordt daarom aangeraden geen borstvoeding te geven. 

NB: Om besmet te raken met HIV, moet er wat geïnfecteerd bloed, sperma of vaginale afscheiding in het lichaam terecht komen.  Het is niet mogelijk HIV op te lopen door gewoon contact te hebben met iemand die HIV heeft, zoals knuffelen, handen drukken of aanraken, of door voedsel, handdoeken, gebruiksvoorwerpen, zwembaden of telefoons te delen.

Hoe vaak komt HIV voor?

Het aantal mensen met HIV, wereldwijd,  werd in 2007 gescht op ruim 33 miljoen. Tussen 2004 en 2006 lag dit getal nog rond de 40 miljoen. In Nederland wordt het voorkomen van HIV onder volwassenen geschat op 0.3%. Het komt vooral voor bij jonge mensen, drugsgebruikers en homoseksuele mannen. Wereldwijd raken elke dag nog steeds rond de 7000 mensen besmet met HIV en sterven dagelijks rond de 5700 mensen aan AIDS. Dit is nog steeds voornamelijk te wijten aan ontoereikende HIV-preventie- en behandelvoorzieningen in sommige ontwikkelingslanden.

Hoe veroorzaakt HIV problemen in het lichaam?

Als de HIV zich eenmaal in het lichaam bevindt, zet het virus zich vast aan de CD4 T-cellen, en dringt deze binnen. Dan gebruikt het virus het DNA (de genetische code in de cel) om te repliceren (kopieën van zichzelf te maken). Als nieuwe virusdeeltjes uit een CD4 T-cel ‘breken’, sterft de cel af. De nieuwe virusdeeltjes dringen dan nieuwe CD4 T-cellen binnen en zo gaat het proces verder. Miljoenen nieuwe virusdeeltjes worden elke dag in CD4 T-cellen gemaakt en miljoenen CD4 T-cellen sterven elke dag af.

Om het virusoffensief tegen te gaan, maakt het lichaam doorgaans elke dag nieuwe CD4 T-cellen. Door de tijd heen 'wint' het virus de strijd echter, en daalt het aantal CD4 T-cellen langzaam maar zeker (gewoonlijk over een aantal jaren). Als het aantal CD4 T-cellen eenmaal tot onder een bepaald niveau gezakt is, dan is het immuunsysteem verzwakt. Als het immuunsysteem ernstig verzwakt is door de HIV-infectie, dan gaan zich waarschijnlijk allerlei 'opportunistische' infecties ontwikkelen. Deze infecties worden veroorzaakt door ziektekiemen die zich altijd om ons heen bevinden. In normale omstandigheden zou je door deze ziektekiemen geen infecties ontwikkelen, als je een gezond immuunsysteem hebt. Een laag niveau van CD4 T-cellen bevordert ook het risico van andere aandoeningen, die door het immuunsysteem voorkómen kunnen worden, zoals bepaalde vormen van kanker.

Wat zijn de symptomen van HIV en AIDS?

Primaire infectie met HIV
De aanvankelijke besmetting met HIV staat bekend als 'primaire infectie'. In dit stadium is er geen sprake van symptomen. Sommige mensen ontwikkelen echter symptomen, die op griep of klierkoorts lijken. Dit gebeurt gewoonlijk 6-8 weken na de besmetting en wordt soms 'seroconversie-syndroom' genoemd, omdat dit het moment is, waarop de antistoffen voor het eerst in de bloedbaan  verschijnen. De symptomen kunnen de volgende zijn: koorts, zere keel, vlekkerige rode uitslag, misselijkheid, diarree, gezwollen klieren, hoofdpijn, moeheid en algemeen onwel bevinden en pijn. Deze symptomen kunnen tot drie weken duren en worden vaak beschouwd als 'griep' of een 'virale ziekte'. Dit is nog geen AIDS maar slechts een eerste reactie op de HIV besmetting. Een test op HIV kan in dit eerste stadium van de besmetting heel goed negatief zijn.

Na de primaire infectie
Na een dergelijke primaire infectie kunnen symptomen zonder verdere behandeling verschillende jaren uitblijven. Het gaat hier gemiddeld om een periode van tien jaar. Aangezien er in deze periode geen symptomen zijn, realiseren de meeste mensen zich niet dat ze met HIV besmet zijn.
Het virus vermenigvuldigt zich echter onophoudelijk, het aantal CD4 T-cellen daalt geleidelijk en het virus kan aan anderen doorgegeven worden. Tijdens deze periode kunnen mensen met HIV, die zich normaal goed voelen, last krijgen van aanhoudend gezwollen lymfklieren (chronische lymfadenopathie) of nachtelijk zweten.

In deze periode kan men ook herhaaldelijk te maken krijgen met problemen zoals mondzweren, herpes, gordelroosinfecties of seborrhoïsch eczeem (een huidaandoening die door een soort gist veroorzaakt wordt). Een oude TBC (tuberculose)-infectie kan 'reactiveren' in bepaalde gevallen voordat de AIDS zich ontwikkelt, in het bijzonder bij mensen in de ontwikkelingslanden. Andere symptomen van HIV, die voor kunnen komen voordat AIDS zich ontwikkelt, zijn diarree, huiduitslag, moeheid en gewichtsverlies.

Symptomen van AIDS

De benaming AIDS wordt gebruikt om de vergevorderde stadia van de HIV infectie aan te duiden. AIDS is verzamelnaam voor verschillende ziekten die veroorzaakt kunnen worden door een verzwakt immuunsysteem. Iemand met AIDS heeft gewoonlijk:

  • Een heel laag niveau van CD4 T-cellen (rond de 200 cellen per kubieke millimeter bloed of minder), en/of
  • Eén of meer opportunistische infecties zoals pneumocystische pneumonie (pneunonie door pneumocystis jiroveci – een bepaalde schimmelsoort die longontsteking met cysten veroorzaakt, ook bekend als PCP), ernstige schimmelinfectie in de vagina of de mond, mycose-infecties, tuberculose (TBC), mycobacterium avium complex, toxoplasmose, cytomegalie, etc. Deze infecties kunnen een groot aantal symptomen voortbrengen, zoals zweten, koorts, hoesten, diarree, gewichtsverlies en een algemeen onpasselijk gevoel.

Bovendien hebben mensen met AIDS een grotere kans om andere aandoeningen op te lopen zoals:

  • Bepaalde vormen van kanker. Kaposi sarcoma is een vorm van kanker die vrijwel alleen bij mensen met AIDS voorkomt.  Er is tevens een grotere kans op baarmoederhalskanker en lymfeklierkanker.
  • Een met AIDS-verbonden hersenziekte, zoals HIV-encephalopathie (AIDS-dementie) 
  • Een ernstige vorm cachexie (lichamelijk verval en vermagering). 

Vele verschillende symptomen kunnen zich uit de bovenstaande aandoeningen ontwikkelen. Bij kinderen met AIDS kunnen zich dezelfde opportunistische infecties en problemen voordoen als bij volwassenen. Bovendien kunnen zich daarnaast bij kinderen ernstige, meer algemene kinderinfecties, zoals ernstige oorinfecties en keelontsteking, voordoen.

Welke onderzoeken worden gedaan?

Het is heel belangrijk om een HIV-test te laten doen, als je denkt dat er risico bestaat op een HIV-infectie. In sommige klinieken is het nu zelfs mogelijk om op de dag van het onderzoek al de resultaten te ontvangen.

De diagnose bevestigen
De diagnose HIV kan gehaald worden door het bloed, het speeksel of zelfs de urine (minder gangbaar) te onderzoeken.
NB: een aantal weken na de eerste besmetting kan de HIV-test negatief zijn. Als er een sterk vermoeden bestaat dat er sprake kan zijn van recente besmetting met HIV en de test is negatief, dan moet deze na een paar maanden opnieuw uitgevoerd worden.

De omvang van de ziekte bepalen
Als de HIV-diagnose bevestigd is, dan kan de arts een bloedonderzoek uitvoeren om de virushoeveelheid (de virusload) en het aantal in CD4 T-cellen in het bloed te bepalen. Deze onderzoeken worden in de tijd regelmatig herhaald om te bepalen hoever de ziekte gevorderd is (en wat de reactie op de behandeling is).
Onderzoeken om de diagnose van met AIDS-verbonden aandoeningen te stellen
Er kunnen een reeks andere onderzoeken gedaan worden om opportunistische infecties of andere met AIDS verbonden aandoeningen op te sporen. Deze zullen afhangen van het soort symptomen, dat zich ontwikkelt.

Wat is de behandeling bij een HIV-infectie?

Hoewel er nog steeds geen genezing voor HIV is, bestaat er nu een doeltreffende behandeling waardoor mensen met HIV zo normaal mogelijk kunnen leven. Sinds de introductie van de medicijnen ter behandeling van HIV, is het aantal doden door AIDS drastisch gezakt. De medicijnen remmen ook de ontwikkeling van HIV naar AIDS.

Het komt veel voor dat mensen met HIV zich down of zelfs depressief voelen, in het bijzonder nadat de diagnose gesteld is.  Als je last hebt van zulke depressieve gevoelens, dat moet je dit met de arts bespreken.

Behandeling om het eigenlijk virus aan te pakken
HIV is dus nu een behandelbare aandoening geworden en de meeste mensen met dit virus blijven fit en gezond door de behandeling. Sinds de jaren ’90, zijn er een aantal medicijnen ontwikkeld genaamd antiretrovirus medicijnen. Deze medicijnen werken de HIV-infectie tegen door de replicatie van het virus in het lichaam te remmen. De nieuwste medicijnen zijn doeltreffender dan de medicijnen die in het verleden gebruikt zijn. Er zijn verschillende categorieën van deze medicijnen, waaronder: nucleoside reverse transcriptase inhibitors (NRTI’s), nucleotide reverse transcriptase inhibitors (NtRTI’s), protease inhibitors (PI’s) and non-nucleoside reverse transcriptase inhibitors (NNRTI’s). Nieuwere categorieën van medicijnen zijn sinds kort uitgebracht, met name integrase inhibitors, fusion inhibitors and CCR5 antagonisten. De HIV-medicijnen in elke categorie werken op verschillende manieren, maar ze dragen er allemaal toe bij om de replicatie van het virus stop te zetten.

Het is doeltreffender om drie of meer antiretrovirale medicijnen tegelijkertijd in te nemen, die allemaal de HIV op verschillende momenten van de replicatiecyclus aanvallen, dan maar één of twee soorten medicijnen. Dit wordt HAART (hoog-actieve antiretrovirale therapie) genoemd. Het innemen van een combinatie van verschillende medicijnen kan ook het risico verminderen dat het virus weerstand tegen een bepaald soort medicijnen opbouwt. De eerste een-pil-per-dag behandeling werd in 2008 uitgebracht. Elke pil omvat drie verschillende medicijnen. Dit is echt een doorbraak in de behandeling, omdat het gemakkelijk in te nemen is, en weinig bijwerkingen heeft.

De keuze van de medicijnen wordt voor elke patiënt individueel overwogen en gekozen. De behandeling bij HIV kan ingewikkeld zijn omdat men daarbij veel verschillende medicijnen in moet nemen.  In de meeste gevallen zijn er speciale teams in de gezondheidszorg die zich met behandeling van HIV- en AIDS-patiënten bezig houden, omdat de behandeling zeer specialistisch en ‘op maat’ is.

Het doel van de behandeling is de 'virusload' te verminderen tot een laag niveau. Bij de meeste mensen die met HAART behandeld worden, zakt de virusload tot een zeer laag niveau en gaat het aantal CD4 T-cellen omhoog. Dit betekent dat je immuunsysteem niet langer verzwakt is en dat er minder kans is dat je opportunistische infecties oploopt. Het is echter van vitaal belang dat de medicijnen regelmatig en precies zoals voorgeschreven ingenomen worden om succes te waarborgen en te voorkomen dat het virus weerstand tegen de medicijnen opbouwt.

Zoals ook het geval is met andere krachtige medicijnen, kunnen antiretrovirale medicijnen in sommige gevallen bijwerkingen veroorzaken.  Bovendien kunnen deze medicijnen op andere gebruikte medicijnen reageren. Het kan soms nodig zijn om de aanvankelijke samenstelling van de medicatie te veranderen vanwege deze bijwerkingen, reacties of resistentie van het virus t.o.v. een bepaald medicijn. Dat is de reden dat mensen met HIV vaak een verschillende samenstelling van medicijnen hebben. Veelvoorkomende bijwerkingen zijn misselijkheid, overgeven en hoofdpijn.

Wanneer begint de behandeling met antiretrovirale medicijnen?
In het algemeen begint men met de antiretrovirale medicijnen, zodra:

  • zich opportunistische infecties of andere met AIDS verbonden problemen ontwikkelen, of de CD4 T-cellen tot beneden een bepaald niveau zakken (rond 350 cellen per kubieke millimeter bloed of minder) – zelfs zonder symptomen. Het exacte niveau waarop met de behandeling begonnen wordt hangt af van verschillende factoren, die met de arts besproken zullen worden. Deze omvatten de symptomen, die al aanwezig zijn, en de snelheid waarmee de CD4 T-cellen verminderen.
  • De behandeling van HIV is echter een snel veranderend onderdeel van de geneeskunde.  Er wordt onderzoek gedaan om te bepalen of de antiretrovirale medicijnen eerder toegediend moeten worden bij mensen die geen symptomen hebben, zelfs direct na de aanvankelijke besmetting met HIV. De proeven zijn erop gericht om voordelen van behandeling om aan te tonen, voordat de symptomen ontwikkelen en om na te gaan of die voordelen opwegen tegen het risico van bijwerkingen van de medicijnen. In dat geval wordt er daarom ook regelmatig bloedonderzoek gedaan om de bijwerkingen te volgen tijdens de behandeling.

Behandeling en het voorkomen van infecties

Bescherming bij seksuele omgang is van uiterst belang om andere seksuele infecties, zoals herpes en hepatitis te voorkomen. Mensen met HIV worden normaal gesproken gevaccineerd tegen Hepatitis A en B, influenza en pneumokokken (demeest voorkomende bacteriële oorzaak van longontsteking).

Opportunistische infecties worden normaal met antibiotica behandeld, antimycotica of met tuberculostatica, al naar gelang het soort infectie. Zelfs als er geen infectie is, is het raadzaam, als de CD4 T-cellen eenmaal op een laag niveau zijn, regelmatig antibiotica of andere medicijnen te nemen, om ontwikkeling van bepaalde opportunistische infecties te voorkomen. Het hele medicamenteuze beleid gaat in overleg met het behandelteam.

Hoe kan infectie met HIV voorkomen worden?

Er is geen vaccinatie tegen HIV. Een vaccin ontwikkelen blijkt nog steeds erg moeilijk te zijn, omdat het HIV-virus constant in mutatie is en van vorm verandert.  De enige manier om infectie met HIV te voorkomen is dus het vermijden van activiteiten, waaraan risico op besmetting verbonden is, zoals naalden delen of onbeschermde seks hebben.  Het gebruik van condooms beschermt tegen het doorgeven van het virus tijdens seks.

Sommige gevallen van HIV kunnen op andere manieren voorkomen worden. Bijvoorbeeld:

  • Als je een intraveneuze drugsgebruiker bent, moet je geen naalden of ander infectiemateriaal van anderen gebruiken. En na elke dosering je eigen materiaal – in elk geval de naalden – wisselen.
  • Personeel in de gezondheidszorg moet de locale richtlijnen respecteren om de kans op naaldverwondingen zo veel mogelijk te beperken. Als je toch een verwonding oploopt dan onmiddellijk volgens het heersende protocol handelen. Een kuur anti-HIV medicijnen binnen 1-2 uur na het naaldaccident zou besmetting met HIV kunnen voorkomen. 
  • Wie zwanger en met HIV geïnfecteerd is, heeft speciale voorzieningen voor aanstaande moeders nodig. HIV-behandeling kan tijdens de zwangerschap ingenomen worden. Een HIV test wordt aan alle zwangere vrouwen in Nederland aangeboden.

Wat is de prognose?

Vóór het midden van de jaren ‘90, overleefden de meeste mensen niet langer dan 1-2 jaar na de ontwikkeling van de AIDS. Sinds de introductie van de antiretrovirale medicijnen zijn de vooruitzichten heel veel verbeterd. Veel mensen met HIV en AIDS in de rijkere landen hebben nu een normaal leven. De levensverwachting van mensen met HIV en AIDS is drastisch gestegen.

Bijvoorbeeld een studie, die in 2008 in de Lancet gepubliceerd werd, concludeert dat men HIV nu eerder als een chronische aandoening, zoals suikerziekte, moest beschouwen dan als een dodelijke ziekte.  De studie betrof meer dan 43,000 patiënten met HIV en kwam tot de conclusie dat iemand die nu op de leeftijd van 20 de diagnose HIV en AIDS krijgt nog een levensverwachting van 49 jaar heeft (mits moderne behandeling voorhanden is).

De meeste mensen met HIV leven echter in ontwikkelingslanden en kunnen geen aanspraak maken op doeltreffende medicijnen. Dit is de reden waarom HIV wereldwijd epidemische vormen aanneemt en nog steeds elk jaar miljoenen levens eist.