Rijks Vaccinatie Programma

Ook wel genoemd: 
Standaard vaccinatie bij kinderen

Het normale inentingsschema voor kinderen zoals dat is vervat in het Rijks Vaccinatie Programma in Nederland is:

LEEFTIJD Inenting (Vaccin)
2 maanden DKTP/Hib (Difterie, Kinkhoest, Tetanus, Polio, en Haemophilus influenzae B) - in één injectie (samengesteld vaccin), plus:
Pneumokokken (7 typen) - in een aparte injectie, op een andere plaats
Meestal wordt de ene vaccinatie in de ene bovenarm gegeven, en de andere in de andere bovenarm
3 maanden DKTP/Hib (2de dosering), plus:
Pneumokokken - in een aparte injectie, op een andere plaats
4 maanden DKTP/Hib (3de dosering), plus:
Pneumokokken - in een aparte injectie, op een andere plaats
11 maanden DKTP/Hib (4e dosering), plus
Pneumkokken – in een aparte injective, op een andere plaats
14 maanden BMR (Bof, Mazelen, Bof en Rode hond - gecombineerd in één injectie), plus:
Meningokokken C - in een aparte injectie, op een andere plaats
4 jaar DKTP
9 jaar DTP
12 jaar

Alleen voor meisjes: HPV, na 1 maand 2e injfectie HPV en 6 maanden na de 1e injectie de 3e injfectie HPV

NB:

  • DKTP en Hib worden in één injectie gecombineerd – dit noemen we een combinatievaccin.
  • Het pneumokokkenvaccin is een aparte injectie die in september 2006 aan het standaard vaccinatieschema is toegevoegd.
  • Het meningokokken groep C vaccin (Men C) wordt in een aparte injectie gegeven, en is sinds september 2002 aan het standaard vaccinatieprogramma toegevoegd.
  • De bof, mazelen en rubella (rode hond) worden in één vaccin gecombineerd (BMR vaccin).
  • In 2009 is de vaccinatie tegen HPV (Humaan Papilloma Virus) voor meisjes van 12 jaar geïntroduceerd, bestaande uit 3 opvolgende vaccinaties: moment 1, 1 maand later en bij 6 maanden. 
  • BCG vaccinatie maakt geen onderdeel uit van het Rijks Vaccinatie Programma en wordt alleen gegeven aan kinderen/mensen met een verhoogd risico op TBC.
  • Andere vaccinaties worden gegeven aan kinderen in bepaalde risicogroepen, bijvoorbeeld de jaarlijkse griepprik bij kinderen met bepaalde medische (chronische) aandoeningen.
  • Vaccins tegen sommige andere infecties worden ontwikkeld en onderzocht en kunnen in de toekomst aan het standaard inentingsschema worden toegevoegd.

Wat als ik een vaccinatie vergeet of er sprake is van uitstel?

Het vaccinatieschema is ontworpen om kinderen optimaal te beschermen. Het schema is gebaseerd op de tijd die tussen de vaccinaties moet zitten. Kortere tussenperiodes kunnen de bescherming nadelig beïnvloeden. Het is belangrijk dat kinderen het hele vaccinatieschema volledig doorlopen in de aangegeven volgorde. Ouders kunnen daaraan meewerken door zo veel mogelijk gehoor te geven aan de oproepen. Maar soms lukt dat om de een of andere reden niet.

Eerder beginnen

Soms is het nodig eerder te beginnen met vaccineren. Bijvoorbeeld als een zuigeling op reis gaat naar gebieden waar één of meer van de DKTP-ziekten heersen. Dat geldt ook voor een aantal andere vaccinaties uit het schema. 
Bij de BMR-vaccinatie is het mogelijk om eerder te beginnen, namelijk  vanaf een leeftijd van 6 maanden. Eerder kan de BMR-vaccinatie niet gegeven worden omdat de antistoffen die het kind van de moeder heeft meegekregen nog bestaan. Deze breken het vaccin af en maken de werking ongedaan. Als de vaccinatie vóór een leeftijd van 12 maanden gegeven wordt, moet de BMR herhaald worden op de leeftijd van 14-15 maanden.

Kortere tussenperiodes

In uitzonderingsgevallen, bijvoorbeeld bij ziekte, kan het soms toch wenselijk zijn met kortere tussenperiodes te vaccineren. De vaccinatie wordt dan vaak op een later moment een keer herhaald.

Langere tussenperiodes

Langere tussenperiodes hebben als bezwaar dat het kind pas op een later tijdstip beschermd is.

Inhaalschema

Soms zijn kinderen helemaal niet ‘op schema’, bijvoorbeeld bij een langdurig verblijf in het buitenland. Het kan voorkomen dat kinderen dan niet optimaal beschermd zijn. Als je informatie wilt over het inhalen van vaccinaties die in het Rijksvaccinatieprogramma zitten, kunt u contact opnemen met de artsen en verpleegkundigen van je consultatiebureau, GGD of MOA (Medisch Opvang Asielzoekers). Je kunt ook een e-mail met je vraag sturen naar libris@rivm.nl

Bijzondere situaties

Overleg in bijzondere situaties altijd uitvoerig met je consultatiebureau of de GGD over het te volgen vaccinatieschema.

Wie moet er NIET worden gevaccineerd?

Op het consultatiebureau of de GGD wordt altijd afgewogen of het kind wordt gevaccineerd of dat de vaccinatie wordt uitgesteld. Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld als er sprake is van:

  • Ernstige ziekte
  • Hoge koorts
  • Heftige klachten na een vorige vaccinatie
  • Bloedtransfusie
  • Immunoglobuline-toediening
  • Bestraling 
  • Beenmergtransplantatie         

Geen reden voor uitstel en afstel

Kinderen met chronische aandoeningen als astma en eczeem kunnen gewoon worden ingeënt. Voor kinderen met ernstige ziekten als taaislijmziekte, hartafwijkingen of suikerziekte is het juist belangrijk dat ze op tijd hun prikken krijgen. De ziekten waartegen wordt gevaccineerd, kunnen bij hen ernstige complicaties geven.
Het gebruik van antibiotica, flauwvallen, overgevoeligheid voor kippenei-eiwit en vroeggeboorte zijn ook geen redenen om af te zien van vaccinatie of om de vaccinatie uit te stellen. Wanneer je twijfelt, neem dan altijd contact op met je consultatiebureau of de GGD.
Zie ook onze aparte folders over individuele vaccinaties voor meer informatie.

Welke aandoeningen worden voorkomen met deze vaccinaties?

In het kort:

  • Difterie wordt veroorzaakt door een bacterie genaamd Corynebacterium diphtheriae, die een ernstige infectie in de keel en thorax (borstkas) veroorzaakt. Sinds het begin van de vaccinaties in 1953 is het aantal gevallen drastisch gedaald.
  • Haemophilus influenzae B (Hib) is een bacterie die longontsteking of meningitis kan veroorzaken. Kinderen jonger dan vier jaar lopen het grootste risico. Voordat het vaccin in 1993 aan het vaccinatieschema werd toegevoegd, kregen kinderen regelmatig vóór hun 5e jaar één van deze aandoeningen. Ze komen nu bijna niet meer voor.
  • Mazelen wordt veroorzaakt door het mazelenvirus, dat een ellendige koortsende aandoening met huiduitslag veroorzaakt. In sommige gevallen is er sprake van complicaties zoals longontsteking, krampen of encephalitits (hersenontsteking). Voor de introductie van het mazelenvaccin in 1976 kwamen de mazelen veel voor. Nu komt het bijna niet meer voor.
  • De bof wordt veroorzaakt door het bofvirus. De infectie veroorzaakt meestal een zwelling van de speekselklieren, met name die welke vóór de oren gelegen zijn (parotisklieren, bof wordt ook wel parotitis genoemd). In sommige gevallen zijn er complicaties, zoals pancreatitis, orchitis (ontsteking van de testikels), meningitis (hersenvliedontsteking) en encephalitits (hersenontsteking). Ook kan de bof blijvende doofheid in één oor veroorzaken. Sinds het in een combinatievaccin met mazelen en rode hond (BMR) aan het vaccinatieprogramma voor jongens en meisjes is toegevoegd in 1987 komt de bof bijna niet meer voor.
  • Rubella (rode hond) wordt veroorzaakt door het rubellavirus. Het veroorzaakt een milde ziekte met een huiduitslag. Als zwangere vrouwen geïnfecteerd raken, dan kan het virus het ongeboren kind ernstig beschadigen. Het doel van de vaccinatie is het rubellavirus zoveel mogelijk uit te roeien. Sinds de introductie van het vaccin in 1974 voor meisjes van 11 jaar,  is het aantal gevallen van kinderen met geboorteafwijkingen als gevolg van rubella dramatisch teruggelopen.
  • Meningokokken groep C is een bacterie die één van de mogelijke oorzaken is van meningitis en sepsis (ernstige bloedvergiftiging). Er zijn andere soorten meningokokken, maar het aantal gevallen van meningitis en sepsis is sinds de introductie van dit vaccin in 2002, teruggelopen.
  • Pertussis (kinkhoest) wordt veroorzaakt door een bacterie genaamd Bordetella pertussis. Dit veroorzaakt een langdurige en vervelende hoest. Sommige kinderen met pertussis hebben complicaties, zoals longontsteking of hersenbeschadiging. In Nederland waren er vroeger regelmatig kinkhoestepidemieën vóór de introductie van het vaccin in 1962. In 2001 is het vaccin veranderd omdat de bacterie veranderingen heeft ondergaan. Door de vaccinatie komt kinkhoest nu bijna niet meer voor.
  • De pneumokok is een bacterie die kan leiden tot longontsteking, menigitis een diverse  andere infecties. Het kan iedereen treffen, maar met name jonge kinderen, mensen ouder dan 55 jaar en enkele andere groepen lopen een groter risico.
    Omdat er toch regelmatig pneumokokkeninfecties voor kwamen is in 2006 de pneumokokkenvaccinatie aan het RVP toegevoegd.
  • Poliomyelitis (polio) is een ziekte die wordt veroorzaakt door het poliovirus. Het virus treft eerst de darmen en breidt zich daarna uit naar het zenuwstelsel. Het kan een ziekte veroorzaken die lijkt op meningitis en die zenuwen kan beschadigen, waardoor spieren kunnen verschrompelen en er uiteindelijk verlamming aan één of meer ledematen kan optreden. In sommige gevallen kan de ziekte de ademhaling ernstig bedreigen en uiteindelijk de dood tot gevolg hebben. Vaccinatie tegen polio is in 1957 geïntroduceerd.
  • Tetanus is een infectie die wordt veroorzaakt door een bacterie genaamd Clostridium tetani, die in grond en aarde voorkomt. Het veroorzaakt vreselijke spierkrampen en is vaak dodelijk. Dankzij het vaccinatieprogramma komt het in Nederland bijna niet meer voor.
  • Het Humaan (menselijk) Papillomavirus (HPV) is een virus dat de huid en slijmvliezen (bijvoorbeeld in mond, keel en genitaliën) kan aantasten. Er zijn meer dan 100 verschillende typen HPV, waarvan er 40 de genitaliën kunnen treffen. Twee typen, 16 en 18, zijn -  wetenschappelijk bewezen - betrokken bij de ontwikkeling van baarmoederhalskanker. Het vaccin is zeer effectief in het voorkomen van baarmoederhalskanker.

Hoe werkt de vaccinatie?

Het lichaam krijgt een vaccin, een kleine hoeveelheid van een inactieve vorm van een bacterie of virus - of van een giftige stof die door de bacterie of het virus wordt aangemaakt. Omdat de inhoud van het vaccin inactief is, kan het geen infectie veroorzaken. Het lichaam maakt echter wel antistoffen en/of immuuncellen (witte bloedlichaampjes) aan die bescherming bieden. Als we in de toekomst besmet mochten raken, dan is het lichaam in staat de infectie effectief te bestrijden, waardoor we niet ziek worden.

Het is tot dusverre lastig gebleken om voor sommige bacteriën en virussen vaccins aan te maken, maar het onderzoek ernaar gaat continu door, dus de kans is groot dat in de toekomst nieuwe vaccins beschikbaar komen.

Een pasgeboren baby heeft een ‘passieve’ immuniteit tegen verschillende aandoeningen, zoals de mazelen, bof en rubella, dankzij de antistoffen die de moeder heeft aangemaakt en doorgegeven (de baby krijgt de antistoffen ‘kant-en-klaar’ van de moeder). Deze passieve immuniteit duurt echter meestal maar een paar weken of maanden (meestal tot maximaal een maand of 6). In het geval van mazelen, bof en rubella duurt het tot een heel jaar. Inenting met vaccins wordt ‘actieve’ immuniteit (het kind maakt zelf antistoffen tegen de inhoud van het vaccin) genoemd en biedt bescherming op de lange termijn.